Water als wapen

mei
woensdag
22
Ferdinand van Hemmen geeft een lezing over het het gebruik van water als wapen in deze regio in oktober 1944.
20:00

Een samenvatting uit een artikel van dokter Huygen uit Lent, gepubliceerd in maart 1986.

Toen ik in 1943 met de praktijk begon, bestond er nog geen zondagsdienst. Dag en nacht, week in week uit, moest je bereikbaar zijn. 's Morgens hield ik spreekuur, maar het merendeel van de dag werd doorgebracht met visite rijden. Aanvankelijk per fiets, later met een gehuurde motorfiets en nog later met een tweedehands auto. Telefoon was er slechts op enkele plaatsen. 's Avonds moesten de medicijnen dan nog in het apotheekgedeelte van de spreekkamer worden klaargemaakt.

Het palet van ziekten dat je zag, verschilde sterk van nu. Tal van infectieziekten, die nu vrijwel zijn verdwenen, vierden toen hoogtij. Zo kreeg ieder kind mazelen. Om het paar jaar was er wel een epidemie. Het aantal bacteriële complicaties was niet gering. Ongeveer 10% van de kinderen kreeg middenoorontsteking en een even groot aantal longontsteking. Ook de kinkhoest-epidemieën waren een ramp.

Wij stonden hier machteloos tegenover. De algemene toestand van de aangetaste kinderen ging achteruit en ik zag sommigen hieraan sterven. Roodvonk, nu een zeer lichte ziekte, was toen ernstig en soms zelfs dodelijk. Polio-epidemieën teisteren het land. Hiervan zag ik zelfs volwassenen soms het slachtoffer worden, met lange invaliditeit en soms de dood tot gevolg.

Ik verloor ook een patiënt aan tetanus. Difterie was onder de oorlog een zeer gewoon beeld. Ik zag massale epidemieën met veel karakteristieke afwijkingen. Bij besmettelijke ziekten als roodvonk en difterie, tetanus en polio moesten vroeger plakkaten op de woning worden geplakt. Het was een uitkomst toen penicilline na de Tweede Wereldoorlog beschikbaar kwam.

Tuberculose was een gevreesde ziekte, die vooral in sommige families voorkwam. Het gaf een stigma, een zekere schande, waarover slechts fluisterend en met de afkorting T.B. werd gesproken. Het kuren thuis was vooral in dorpen heel gebruikelijke en dan dikwijls in een houten tentje in de tuin, dat via een kruisvereniging beschikbaar werd gesteld. In ieder dorp zag je wel enkel van die ligtenten in de tuin staan.

Haarziekten als trichophytie en favus waren geen uitzondering. Zweren op de hoofdhuid berustten meestal op luizen. Deze kwamen erg veel voor, evenals scabiës(schurft). Etterige huidziekten waren schering en inslag. Reeds op straat zag ik veel kinderen met een ‘Krentenbaard”. De krappe behuizing en de kinderrijkdom van de gezinnen droeg hieraan bij, samen met het gebrek aan hygiëne en aan zeep.

Van het gebruik van anticonceptioneel middelen was in grote delen van de bevolking geen sprake. In tal van gezinnen werd ook elk jaar een kind geboren. Waar geen verloskundige praktiseerde gaf dat een flinke werkbelasting, maar ook voldoening en een sterke band met de gezinnen. Zelf leidde ik vele jaren meer dan 100 bevallingen per jaar. In totaal een aantal van meer van 3000 thuisbevallingen.

Het was zo’n beetje de gewoonte dat het tiende kind waarbij je de moeder zelf had geholpen naar je werd vernoemd. Een kraamvrouw moest vroeger 10 dagen plat in bed liggen, ingesnoerd in een nauw sluitlaken. Je werd geacht iedere dag een kraamvisite te maken. Het honorarium, inclusief voor- en nazorg, bedroeg in mijn eerste jaren 25 gulden.

Als vrouwen op speekuur kwamen en onderzocht moesten worden gaf dat heel wat moeilijkheden, omdat in de regel vele lagen kleding en machtige korsetten verwijderd moesten worden. De kleding van mannen bestond meestal ook uit diverse lagen, die ongaarne werden afgekoppeld.

Wintertenen en winterhanden waren in het koude jaargetijde zeer frequent, vooral bij schoolgaande kinderen, die dikwijls grote afstanden moesten lopen of fietsen neer school.

Bij volwassenen waren maagklachten, vooral bij mannen, veel frequenter dan thans. Vermoedelijke hing dit samen met de aard van het voedsel: groente uit de grote keulse potten, erwten, bonen spek en roggebrood. Mogelijke speelde de zwaarte van de lichamelijke arbeid een rol. Bij vrouwen waren er meer gynaecologische klachten: menstruatiestoornissen, spontane abortus, borstabcessen tijdens lange zoogperiode. Bloedarmoede was zeer gewoon. 'Open benen' door spataderen waren aan de orde van de dag.

Iedere huisarts had een groot aantal chronische patiënten, die hij geregeld bezocht. Het ging daarbij voornamelijk om patiënten met ongeneeslijke aandoening van hart, longen of gewrichten. De huisbezoeken hadden dikwijls een meer sociale reden. Het aantal ziekenhuis opnamen waren een fractie van tegenwoordig. Een opname werd beschouwd als een ernstige ingreep en had vooral bij ouderen een zeer ongunstige klank, daar de prognose dan in het algemeen ongunstig werd geacht. De huisarts werd geacht de meeste ziekten zelf te kunnen behandelen. De huisarts was dan ook meer met curatief werk bezig. De diagnostische en therapeutisch midden waren wel aanzienlijk minder.

De arts-patiënt relatie was duidelijke meer verticaal dan thans. Dit was niet alleen voor de dokter, maar zeker ook voor de doorsnee patiënt vanzelfsprekend.

De praktijken waren aanzienlijk groter in omvang wat het aantal 'zielen' betreft. Toch had je verhoudingsgewijs minder te doen. Dit kwam omdat de mensen duidelijk minder vaak een beroep op de huisarts deden dan thans het geval.

Het volledige verhaal is beschikbaar in het archief van Marithaime.