Tussen 2017 en 2019 is het 100 jaar geleden, dat het algemeen kierecht is ingevoerd: in 1917 kregen alle mannen van 25 jaar en ouder het actief en passief kiesrecht, de vrouwen alleen het passief kierecht.

De mannen konden in 1917 op vrouwen stemmen die zich verkiesbaar hadden gesteld. Zo werd Suze Groeneweg op 17 september 1918 als eerste vrouw in de Tweede Kamer gekozen. In 1919 kregen de vrouwen ook actief kiesrecht.

Tot 1917 mochten alleen mannen stemmen die een bepaald bedrag aan loon of pensioen ontvingen, examens hadden gehaald of een bedrag aan belasting of huur per jaar betaalden.

In 1946 wordt de leeftijd om te mogen stemmen verlaagd naar 25, in 1965 verder verlaagd naar 21 jaar en in 1972 weer verder verlaagd naar 18 jaar.

Tot 1970 was er sprake van een opkomstplicht: alle kiesgerechtigden waren verplicht om te verschijnen op het stembureau. In 1970 verdween deze opkomstplicht.

Later werd het kierecht uitgebreid naar bijzondere groepen:

In 1985 kregen Nederlanders in het buitenland kiesrecht, in 1986 kregen gedetineerden kiesrecht en in 2008 onder curatele gestelden.

In 2010 krijgen de inwoners van Caribisch Nederland kiesrecht voor de verkiezingen van het Europees parlement en voor de Tweede Kamer.

 

Bron: website Kiesraad