Getuigen vertellen

september
zaterdag
28
Het verhaal wordt verteld van de Tweede Wereldoorlog en de kerk.
13:30 - 16:30

Met uitzondering van de grote steden Nijmegen en Arnhem, waar kort na de Tweede Wereldoorlog carnavalsverenigingen werden opgericht, waren de drie dwaze dagen voor het begin van de vasten tot midden jaren 50 vooral een aangelegenheid van katholiek Nederland ‘beneden de rivieren’. Daarna begon het feest aan een duidelijke opmars de rivieren over.

In iedere plaats namen bepaalde verenigingen het initiatief. In Elst was dit in 1954 het Wit-Gele Kruis met als stimulator dokter Jaspars. In 1955 werden in Huissen De Kraonige Zwaone opgericht. De katholieke kerk en ook de overheid hadden voor de Tweede Wereldoorlog moeite gehad met de carnavalsdagen. De kerk was bezorgd om de zedeloosheid en normvervaging die op de loer lagen in het feestgedruis, dat gepaard ging met veel alcoholgebruik.

Dit veranderde toen het feest het carnaval zijn specifiek katholieke karakter begon te verliezen. Het feest raakte zijn binding met de vasten kwijt en werd steeds meer een volksfeest. Da vasten werd niet meer gezien als een boetetijd. Het veertigurengebed tijdens de vastenavonddagen als een verwijzing naar de uren tussen de kruisdood van Jezus en zijn verrijzenis op paasmorgen, kwam helemaal in het gedrang. De cabaretier Fons Jansen becommentarieerde dat in 1967 plastisch met de uitspraak: "Dat ze de vasten afschaffen kan me niet schelen, maar dan moet carnaval verplicht worden".

Gemeentelijke overheden, in het bijzonder de burgemeester, hadden voor 1950 veel bezwaren tegen het dreigende gezagsverlies door die dwaze dagen, onder meer omdat het functioneren van gemeentebesturen in optochten op de hak werd genomen. Ook de handhaving van de openbare orde baarde zorgen. Geleidelijk drong na WOII het besef door dat carnaval geen liederlijk en afkeurenswaardig verschijnsel was. Gemeentebesturen begonnen op den duur ook welwillender op te treden. Ze gaven vergunningen voor optochten, verlengde de openingstijden van feestzalen en cafés.

Die verandering ging niet altijd zonder slag op stoot. In 1959 ontstond een conflict tussen gemeenteraad en de carnavalsvereniging van Huissen. De raad had besloten de speciale belasting die toeschouwers van de optocht moesten betalen in de gemeentekas te storten en niet ten goede te laten komen aan de carnavalsvereniging. Het pleit werd carnavalesk beslecht toen de vereniging een week voor carnaval de optocht symbolisch ten grave droeg. De treurstoet trok vele duizenden bezoekers.

Carnavalsverenigingen besteden veel aandacht aan een ordentelijk verloop van activiteiten. In 1964 plaatste Prins Gijs van Ammerzoden een treffende oproep aan zijn ‘onderdanen’. Het carnavalsfeest was nog pril in het dorp en hij vroeg ieders medewerking aan de dagen van zotheid en jolijt door onberispelijk gedrag tijdens de drie dagen “zodat de geestelijke en burgerlijke leiders van het aan ons prinsdom zo nauw verbonden Ammerzoden ten volle kunnen instemmen met dit feest voor iedereen”.

Het bezoek, dat de Gelderse commissaris van de koningin W. Geertsema in 1974 als speciale gast aan de optocht in Beneden Leeuwen bracht, is illustratief voor de verandering. Alle burgemeesters droegen voortaan met plezier op symbolische wijze voor drie dagen de macht in hun gemeente over aan Prins Carnaval.

 

Deze tekst is overgenomen uit Gelderland 1900-2000, Dolly Verhoeven (eindred.), Uitgeverij Waanders Zwolle, 2006.