In deze bizarre tijd een veelvuldig onderwerp van gesprek: het snuiten van de neus. Vandaar hierbij de geschiedenis van de zakdoek. Je kunt er niet alleen je neus in snuiten maar ook je tranen mee drogen, er een hoofddeksel van maken en er mee zwaaien. Hij kan zo klein zijn als een hand en zo groot dat je hem om je nek kunt knopen.

Voor het eerst maakt Catullus (87-57 v. Chr.) melding van de zakdoek in zijn gedichten. De gewoonte om hooggeplaatste personen met het zwaaien van de zakdoek te begroeten bij theaterbezoek of om het applaus mee te onderstrepen dateert pas van de derde eeuw na Christus. In de Middeleeuwen kwam de eerste kritiek op het openlijk niezen en snuiten. Aan de hoven in Duitsland, maar vooral Frankrijk onder Lodewijk XIV begon volgens Norbert Elias een beschavingsproces dat zich kenmerkte door de verfijning van allerlei gedragsregels. Daaronder viel ook het gebruik van de zakdoek.
In de Middeleeuwen greep men zijn eten met handen beet. Lepels en vorken bestonden niet. Soep dronk men uit een kom die werd doorgegeven. Vingers werden aan het tafellaken afgeveegd en men niesde vrij voor zich heen.

In de dertiende eeuw is er voor het eerst enige kritiek te bespeuren op het recht vooruit te niezen. “Als je moet niezen of hoesten, hoed je dan voor gesproei, draai je om en bedenk dat dit cortexia is opdat geen slijm op de tafel valt”.
Erasmus van Rotterdam vermeldt in “De civilate morum puerilium” (zestiende eeuw): “Het is boers om zijn neus in zijn hoed of zijn kleed te snuiten. Het is eigen aan zoute-visverkopers om in de arm of de elleboog (!!) te snuiten en het is niet veel fatsoenlijker om het in de hand te doen en dan aan de kleren af te vegen”.

In de zestiende eeuw werd slechts door de hogere standen een zakdoek gebruikt, terwijl de eenvoudige mensen nog steeds hun vingers gebruikten om hun neus te snuiten. Een raadseltje uit de zestiende eeuw luidde: “Wat stopt de koning in zijn zak dat door de boer wordt weggegooid”?
Het duurde enige tijd voordat de zakdoek onder de mensen van stand gemeengoed werd. De Franse koning Hendrik IV had een het eind van zijn leven vijf zakdoeken. Onder Lodewijk XIV werd het gebruik van de zakdoek in de hofwereld algemeen.

Dat de zakdoek ook een geschenk werd dat een man aan zijn geliefde gaf om zijn affectie te betuigen blijkt uit het volgende fragment van A. Cabanes: ”...opdat zij aan hem zou blijven denken, vatte hij het plan op voor haar een prachtig en rijkversierde zakdoek te laten maken waarop zijn naam zou staan in ineengestrengelde letters en zeer sierlijk, want de naam zou zijn verbonden aan een mooi gouden hart, en omzoomd met een rand van viooltjes”. Hiermee werd de zakdoek een decoratief gebruiksvoorwerp dat een essentieel onderdeel uitmaakte van de kleding aan het hof. Het formaat van de zakdoek was aanzienlijk, gemiddeld zo’n 80 cm in omtrek.

Het bedrukte, fijne katoen, zoals zakdoeken, maar ook halsdoeken en sjalen werd vanuit het oosten (India) naar Europa geïmporteerd. Door uitvindingen en ontwikkelingen van druktechnieken werd massaproductie van zakdoeken mogelijk. De lagere katoenprijs maakte de zakdoek ten slotte betaalbaar voor het grote publiek.

Zakdoeken werden steeds meer een mode-artikel voor elegante vrouwen waarover journaals berichtten. In de vrouwenkrant in Leipzig stond in 1858 te lezen: “elegante zakdoeken zijn vandaag de dag met fijn borduurwerk, met of zonder medaillon en versierd met wijde maar fijne Valentiaanse kant. De voornaam-initiaal dient in een Romeinse hoofdletter te zijn uitgevoerd, de achternaam-initiaal in een Engelse letter”.

Samenvatting van een studie van Clemens Vollebergh in Tijdschrift Verleden tijd nr 4-1995