Samenvatting van een artikel van drs G.B. Janssen gepubliceerd in Tabula Batavorum van maart 1983.

In het derde kwart van de 19e eeuw was het voordelig om een steenoven op te richten. De kleigrond was gemakkelijk verkrijgbaar en er was weinig kapitaal voor nodig. Arbeiders waren vrij vlot te rekruteren uit de groeiende bevolking. Zo zien we op het platteland steenfabrieken verschijnen. De meesten kenden slechts een kortstondig bestaan. Ook Elst heeft in die tijd zijn steenfabrieken gehad die opmerkelijk dichtbij elkaar waren gesitueerd, namelijk aan weerszijden van de spoorlijn in het zuidoostelijke deel van Elst.

De steenoven te Reeth (1868) 
Het kenmerkende voor deze steenoven is dat ze niet werd opgericht voor de handel, maar voor eigen gebruik. In november 1867 besluit de aan de Reethsestraat wonende landbouwer Peter Johan van der Sandt om op zijn bouwhoeve aan die straat (kad. G46) een steenbakkerij op te richten met slechts een vormtafel voor het vervaardigen van handvormstenen. De in Griethausen geboren 43-jarige Van der Sandt was naar Elst gekomen om te trouwen met de 29-jarige Petronella Rogge. Hij wilde een nieuwe boerderij bouwen en de stenen zelf laten bakken van de klei die hij van zijn land liet graven. Er waren geen bezwaren van gemeentewege en buren binnengekomen. In 1886 bakte hij de benodigde stenen. Daarna werd de oven afgebroken, het werkvolk bedankt en het land werd weer omgeploegd voor agrarische doeleinden. De boerderij die er nu nog staat valt op door de typisch bouwstijl, kenmerkend voor de boerderijen in het Kleefse Land waar de bouwer vandaan kwam.

De steenoven aan de Groenestraat (1875)
Deze steenoven was wel een commerciële steenfabriek. In 1875 werd aan Bernardus J. Vaalman en Fransciscus J. van de Heuvel een concessie verleend voor een steen,-pannen-, en strikkenfabriek te Elst op perceel E3 aan de Groenestraat.

B. Vaalman (geb. 1829) was koopman en gemeenteontvanger en exploiteerde ook reeds enkele jaren een appelstroopfabriek. Zijn vader B.E. Vaalman was ook koopman en gehuwd met de in steenbakkerskringen niet onbekende Maria Catharina van Oppenraay uit Bemmel. Zijn partner F.J. van de Heuvel was 38 jaar en kwam uit Tilburg. Hij was steenfabrikant van huis uit, maar hield in Elst een koffiehuis, al wisselde hij dat later in voor de betrekking van gemeenteopzichter van Elst. Hij had in 1825 samen met zijn broer die kapelaan was in Nieuw-Kuyk een firma opgericht tot exploitatie van de steenfabriek ‘Muggenwaard” onder Lathum. Behalve de inbreng van arbeid en vlijt bestond het startkapitaal uit een perceel weiland aan de Groenestraat, de “Frundenberg” geheten, ter grootte van ruim 4 ha.

Er werd begonnen met 13 mannen, 4 vrouwen en 6 kinderen en twee vormtafels. In 1881 was het aantal arbeiders verdubbeld en werden de stenen machinaal gevormd met behulp van twee handpersen. Maar de productie bedroeg slechts 2 miljoen stenen. Vóór 1886 heeft van de Heuvel zich teruggetrokken uit zaken en moet Vaalman het alleen doen. Het is de grote malaise in de baksteenindustrie en qua techniek heeft Vaalman ook een stapje terug moeten doen. Het is nu weer pure handvorm en de kleimolen wordt met behulp van paardentractie aangedreven. Het gaat steeds verder achteruit en in 1891 werkten er zelfs meer kinderen dan volwassenen op de steenfabriek (opgave in Provinciaal verslag van Gelderland). Omstreeks 1895 heeft Vaalman wegens gebrek aan kapitaal het vuur gedoofd en is ermee gestopt.

De steenoven aan de Bemmelseweg
De derde steenfabriek in Elst was die van Duys bij de Witte Steen aan de Bemmelseweg. Deze steenoven bestond al in 1881 en werd vermeld in de provinciale verslagen als steenoven van A.D. Duys. Ook deze steenoven was niet groot. De oven had maar 9 vuurmonden, maar werkte wel met een machinale steenpers. Het aantal arbeiders bedroeg 44 (33 mannen, 4 vrouwen, 5 jongens en 2 meisjes) maar de jaarproductie was slechts 1 miljoen stenen, een miljoen minder dan concurrent Vaalman had gemaakt met 43 arbeiders, maar wel aan twee steenpersen. Uit een notariële acte uit 1910 blijkt dat de steenoven toebehoorde aan Arie D. Duys en zijn broer Hendrik Duys (gestorven in 1910). Arie was kandidaat-notaris te Elst en van 1911 tot 1923 dijkgraaf. Hij was gehuwd met Geertruida Sipman en woonde op het huis ‘De Prins”, waar hij in 1928 op 82-jarige leeftijd stierf. Zij hadden het bezit gekregen uit de erfenis van hun ouders Cornelis Duys en Adriana Scheuter.

In 1886 is de personeelsbezetting bij Duys ook achteruitgelopen. Er werken dan nog maar 31 mannen en 4 vrouwen. In 1891 ging het verder achteruit. Er werken nog maar 20 arbeiders (8 mannen, 3 vrouwen, 5 jongens en 4 meisjes) en de leimolen wordt in beweging gebracht door een paard. Omstreeks 1895 is hun concurrent Vaalman er al mee gestopt, maar Duys en Co gaan door. Het paard wordt zelfs vervangen door een stoomlocomobiel om de steenpers aan te drijven. In 1904 verschaft hij weer arbeid aan maar liefst 46 arbeiders.

Over de kinderarbeid bij Duys in de jaren 1899-1905 zijn we goed geïnformeerd. Er blijken bij hem ook kinderen van 13 jaar te werken en daarvoor moesten werkkaarten worden afgegeven. Hieruit blijkt ook de werktijden voor deze kinderen. 
1899: van 05.00 tot 08.00 uur, dan 1 uur rust, van 09.00 tot 12.00 uur, dan 2 uren rust en dan nog van 14.00 tot 17.00 uur. Dus een effectieve arbeidsduur van 9 uren. In 1902: van 5.30 tot 8.00 uur, van 8.30 tot 12.00 uur van 13.30 tot 16.00 uur en van 17.30 tot 19.00 uur Een totaal van 10 werkuren, een stijging dus vergeleken met 1899, maar in 1905 werd de totale arbeidsdag voor kinderen weer teruggebracht naar 8.30 uur. 

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwamen veel steenfabrieken in moeilijkheden wegens gebrek aan afzet, brandstoffen en arbeiders. Ook de Witte Steen werd stilgelegd en na de oorlog niet meer in bedrijf gesteld. In de gemeente Elst bleef de steenfabricage beperkt tot fabrieken in Elden en Meinerswijk. 

 

NB. Tot aan de invoering van het kinderwetje van Van Houten (1874) was kinderarbeid heel gebruikelijk. Armoede maakte dat velen voorstander waren van kinderarbeid, met name ook ouders. De wet verbood kinderen tot 12 jaar in fabrieken en werkplaatsen te werken. Huiselijke en persoonlijke diensten en veldarbeid vielen niet onder de wet. De leerplicht-wet (1901) regelde de verplichting voor kinderen van 6 tot 12 jaar om onderwijs te volgen. Onderwijsinspecteurs controleerden de uitvoering van deze wet.