Nederland was in 1820 in extreme armoede terechtgekomen. Er was tijdens de Franse tijd een handelsblokkade met Engeland, een schadeloosstelling van 100 miljoen moest worden betaald aan Frankrijk en een bezettingsmacht van 25.000 soldaten moest worden onderhouden. Dagloners en landarbeiders waren afhankelijk van seizoenswerk. Men moest hopen niet ziek te worden, niet alleen vanwege gebrekkig medische zorg, maar omdat men dan niet meer voor zijn gezin kon zorgen.

Geschreven door Peter Tijssen, geboren en getogen in Elden (gemeente Elst), nu emeritus professor virologie in Canada.

 

1. Woon – en voedselvoorziening

De meeste mensen woonden in dorpen, gehuchten of buurtschappen, onderling verbonden door karresporen. Veruit het grootste deel van de bevolking bestond uit kleine boeren en hun gezinnen. Men leefde van wat er van de oogst overbleef, nadat een deel was werd achtergehouden als zaaigoed of poortgoed, of verkocht om onder meer belasting te kunnen betalen. De meeste gezinnen hadden een tuin of akkertje voor vrijwel volledige zelfvoorziening van voedsel van landbouwpraktijken, die niet verschilde met die van late middeleeuwen.
Er moest echter ook geld verdiend worden en daarom had ongeveer de helft van de huishoudens in 1820, met 14.000 inwoners in de Over-Betuwe als voornaamste nevenactiviteit de tabaksteelt waarin het hele gezin werkte. Andere nevenactiviteiten voor risicospreiding van inkomen (zoals ook gebeurde met gemengde landbouwbedrijven) waren niet-agrarische beroepen.
Volgens het patentregister van 1810 van de Over- Betuwe (OAOB, inv.Nr.670), de akten van huwelijken en de memories van Successie van 1820 waren er de beroepen die we nu niet of nauwelijks meer zien, zoals azijnmaker, baardscheerder, spiegelmaakster, broodschieter, courantier, minne, dienstbaar, haarpoeder, kribbaas, koperslager, koek- en marskramer, kuiper, linnenbleker, wagen- en radmaker, rietdekker (voor daken), vilder (voor leerlooiers), stalhouder en koetsier, wevers, blauwverver, spinster, zadelmaker, etc.

Als vee zien we kippen, schapen (de mest was belangrijk voor de tabaksteelt), varkens en hoornvee. Boerenbedrijven waren in 1820 vaak klein met ca. 3 koeien, 1 varken en 10 kippen. Deze dieren kregen ook te maken met allerlei ziektes, zoals runderpest, mond- en klauwzeer, miltvuur (anthrax), TBC  en varkens- en vogelpest. Koeien werden 3 keer daags gemolken maar gaven slechts ca. 1000 liter melk per koe per jaar met 3% vet, dus er kon maximaal 30 kg boter uit gekarnd worden, terwijl ossen als trekdier konden worden gebruikt. Paarden, hoewel beter als trekdieren, waren kostbaar door de vereiste haver.

Belangrijke verbeteringen in deze tijd waren de rijencultuur, zodat minder zaad nodig was en onkruidbestrijding gemakkelijker werd, en de cultuur van klaver voor verbetering van de vruchtbaarheid van de grond en als veevoer. Etensresten, zoals schillen en afval werden aan de varkens gevoerd. Na een zomer vetmesten is het varken klaar voor de slacht (november). In deze tijd van het jaar stookte men flink in huis zodat het verse vlees kon drogen en geconserveerd werd voor de wintervoorraad.
Zelfs na de Tweede Wereldoorlog hadden veel burgers in het schuurtje achter hun huis een varken dat etensresten gevoerd werd en dat in november met zijn leven moest betalen. Schapen zijn echte kuddedieren, gebruikt voor wol, vlees en melk, en werden veelal geleid door rondtrekkende herders.
In 1820 kenden we alleen scharrelkippen die her en der hun eieren legden. Hiervoor moest het minstens 10 uur licht zijn dus de eiproductie per kip per jaar was minder dan 100 en beperkt tot de zomer. Nu, met kunstlicht is de productie meer dan verdubbeld.
Koeien verbleven het hele jaar in de potstal zodat de kostbare mest kon worden verzameld. Er was nog geen kunstmest. Afrasteringen, zoals prikkeldraad, geraakten pas een eeuw later in gebruik. Vaak werden de koeien, zoals honden nu, eens per dag uitgelaten.

De woning bestond in het algemeen uit een woonruimte met een haard waarop gekookt werd, een zolder en een kleine kelder. Er bestond geen centrale verwarming en de binnentemperatuur in de winter was meestal slechts 5 graden hoger dan de buitentemperatuur. De huisraad was vaak niet meer waard dan een koe. Beddengoed voor de bedstede en kleding waren het meest waardevol en behoorden steevast tot de erfenis. Met het trouwpak deed de boer zijn leven lang. Verder bestond de huisraad uit kook- en eetgerei, spinnewiel, tafel en stoelen, kandelaars en olielampen, een kist en kast.  Op de vraag  “hoe zijn hunne wooningen, schuuren, gereedschappen en de geheele aanleg ingericht?”, gesteld in de landbouwenquête van 1800, is het antwoord kort en krachtig: ”allererellendigst in allen opsigte” (Van der Poel (1954).

Soms doodde het runderpestvirus, dat oorspronkelijk uit Oost-Europa kwam en verantwoordelijk werd voor miljoenen doden onder de mensen, al het hoornvee in een dorp. Dit gebeurde vooral in de 18e eeuw. Opvallend is dat op Nederlandse schilderijen van voor 1700 voornamelijk, of zelfs uitsluitend, roodachtige en witte koeien te zien zijn. Omdat slechts één kalf per jaar geboren wordt gaat vervanging langzaam. Daarom haalden veehandelaren vooral zwartbont vee uit het Deense Jutland. Het runderpestvirus is het tweede virus, na het pokkenvirus, dat sinds 2011 volledig is uitgeroeid.

Het meeste voedsel is beperkt houdbaar. Tot het beperkte menu in de winter behoorden kool, wortels en graan. Na de komst van de aardappel uit Zuid-Amerika werd het langzamerhand als voedsel geaccepteerd omdat het rijker aan zetmeel is dan graan en bovendien veel vitamine C bevat. Een van de oudste vermeldingen van aardappelen in Nederland dateert uit 1699 van een inventaris van een boeren boedel in Bemmel over etenswaren in de kelder.

 

2. Gezondheidszorg

De gezondheidszorg was in 1820 nog zeer primitief. De dokter, dikwijls een geleerd heerschap door studie aan een hogeschool, verlaagde zich niet tot het verrichten van behandelingen van zieken. Deze liet hij over aan praktizijns van lager rangorde, de barbier/chirurgijn of heelmeesters. Deze praktizijns konden vaak niet lezen of schrijven. Pas met de komst van Napoleon (vrijheid, gelijkheid en broederschap) kwam er in 1798 een eind aan gildes zoals van de barbiers en chirurgijns.
Met de vroedvrouw/meester was het niet beter gesteld. Nu duurt een gemiddelde bevalling ongeveer 12 uur, maar 200 jaar geleden was dat vaak twintig uur of meer, hetgeen de kans op complicaties alleen maar groter maakte. Bevallen was de belangrijkste doodsoorzaak voor vrouwen na tuberculose (TBC of ‘tering’). Rond 1800 eindigde 1 op de 70 bevallingen met de dood van de moeder. Deze mortaliteit is gelijk aan die van COVID-19 patiënten nu. Ter vergelijking: in 2007 was de dood in het kraambed 1 op de 20.000. In 1820 werden in de Over-Betuwe 6,8% van de kinderen levenloos geboren. Van de andere sterfgevallen in 1820 overleed 14,6% jonger dan 1 jaar oud en 17,6% van tussen 1 en 10 jaar; ongeveer 6,5% overleed tussen 10 en 19 jaar, 6,7% tussen 20 en 19 jaar. Slechts 48,5% werd ouder dan 30 jaar. Ongeveer 31,5% van de sterfgevallen was tussen de 30 en 70 jaar oud. Een enkeling werd ouder dan 70 jaar.

De ziekenzorg vond bij welgestelde mensen thuis plaats. Zelfs operaties werden thuis gedaan. De zorg in gasthuizen was zeer beperkt, Alleen de armste zieken gingen naar het gasthuis. De sterfte was één op vier. Het zou nog tot 1880-1900 duren voordat de verpleegkunde in Nederland sterk opkwam door de opkomst van ziekenhuizen. Tot de komst van een rationele geneeskunde was aderlaten veel voorkomend. Aderlaten was niet alleen het werk van de chirurgijn, maar ook van de barbier. De korte, rood-witte paal aan de gevel van de barbier (kapper) symboliseert bebloed verband.
Naast aderlatingen waren een dieet, de patiënt laten braken en het spoelen van zijn darmen door middel van klysma’s gangbaar. De barbier verrichte ook aderlatingen tegen een schappelijke prijs. De barbier/chirurgijn verrichte operaties onder een primitieve vorm van narcose, met niet-gesteriliseerde instrumenten en zonder antibiotica. De mensen waren doodsbang voor deze operaties en maar weinig overleefden ze. De meeste mensen vonden dat de maatschappelijk positie van opererende barbiers/chirurgijns ergens tussen de straatvegers en slagers in lag.
Medische verzorging was zeer gebrekkig door gemis aan kennis, hygiëne, therapeutische middelen, antibiotica en vaccins. Bovendien waren er vele endemische ziektes of golven epidemieën zoals tuberculose, pokken (‘de builen’), dysenterie (‘rode loop’), cholera, tyfus, influenza, roodvonk, difterie of mazelen en zelfs malaria. Kwakzalvers voerden de boventoon. Pokken, syfilis, cholera en hondsdolheid beschouwde men in 1820 als besmettelijke ziektes. Malaria, tyfus en andere koortsziekten waren veel voorkomende volksziektes. Cholera en difterie waren nieuw.

Tot twee eeuwen geleden dronk men, inclusief de kinderen, daarom in de Betuwe gemiddeld 300 liter bier per jaar per persoon omdat het water zo vervuild was (door privaat afvoer en giftige stoffen zoals van leerlooierijen). Door de hoge graanprijzen tijdens de Franse tijd verdrong karnemelk bij de armen steeds meer het gebruik van bier. De rijken hadden een waterput. Iedere grote plaats had een brouwerij en een bottelarij. TBC verspreidde zich ook door het drinken van melk omdat de tuberculose-bacterie van zieke koeien ook besmettelijk is voor mensen. Pasteurisatie werd pas in 1862 uitgevonden. In 1823 was er een bijzonder grote TBC-epidemie door de winterkou. Zelfs nu in 2021, behoort TBC wereldwijd nog tot een van de tien meeste voorkomende doodsoorzaken en staat ongeveer gelijk aan die door verkeersongevallen. 

Twee eeuwen  geleden stierf één op de 10 kinderen aan de pokken (“builen”). Circa 1820 werd het echter verplicht om schoolgaande kinderen in te enten met het primitieve vaccin van koepokken (het “pokkenbriefje” was nodig voor school toelating). Naast behoorlijk wat bijwerkingen leidde het verzet vanuit de protestants-christelijke hoek (het was niet aan de mens om te beschikken over leven en dood) ertoe dat het pokkenbriefje vanaf 1857 niet langer verplicht was bij de aanmelding van een leerling. Het virus is uitgeroeid maar is nog opgeslagen in enkele laboratoria en er bestaat dreiging, dat pokkenvirus gebruikt zal worden als biologisch wapen of bij terroristische aanslagen terwijl een deel van de bevolking niet meer gevaccineerd is. Ook polio (kinderverlamming) was bijna uitgeroeid ware het niet dat religieuze groepen dit blokkeerden. Moslimleiders in Pakistan, Afghanistan en Nigeria geloven dat het vaccin heimelijk wordt gebruikt om moslims te steriliseren. Ook in protestant-christelijke kringen in Nederland bleef weerstand tegen vaccinatie en dus gevoeligheid voor eengeïmporteerd virus.

Dysenterie is een zware vorm van diarree die wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van bloed in de ontlasting. Deze amoebeninfectie kan behandeld worden met antibiotica, maar die waren nog niet ontdekt. Voordat antibiotica beschikbaar waren kwam de ziekte, onder andere in de 18e eeuw, veelvuldig voor op het platteland en was algemeen bekend onder de naam ‘rode loop’. De ziekte was dikwijls fataal bij kinderen, ouderen en zwakke mensen. De eerste cholera (blauwe dood) pandemie gebeurde ca 1820. Er zijn in totaal zeven cholera-pandemieën geweest. Cholera wordt overgebracht door het drinken van besmet water maar ook door het eten van rauwe vis die in vervuild water heeft gezwommen of door het eten van groente dat in besmet water is gewassen. In 1848-1849 stierf 1% van de Nederlanders aan cholera (17 keer hoger dan de huidige COVID-19 pandemie).

Een eeuw geleden, zorgde de Spaanse grieppandemie in Nederland voor 30.000 doden, vooral onder twintigers en dertigers. In vergelijking tot de grootte van de bevolking was dit sterftecijfer 15 keer hoger dan dat van de huidige COVID-19 pandemie. Binnen Europa waren er 20-40 miljoen doden (wereldwijd 500 miljoen geïnfecteerd), meer dan onder soldaten en burgers in de Eerste Wereldoorlog. Ook griep, veroorzaakt door het influenzavirus, komt in golven, bijvoorbeeld de Russische griep van 1889 en de vogelgriep-epidemie van 1957. Ieder jaar sterven nog veel senioren aan een influenza-infectie (ca 1.000-10.000 in Nederland) terwijl goede jaarlijkse vaccins bestaan.

Hondsdolheid is een virusziekte die uiterst gevaarlijk was en voor onbehandelde mensen snel tot de dood leidde. Al sinds de middeleeuwen wordt hondenbelasting geheven om de zwerfhondenoverlast te beperken en om de verspreiding van hondsdolheid tegen te gaan. Vossen, wolven en vleermuizen, die in 1820 veel algemener voorkwamen, speelden zeker ook een belangrijke rol in de verspreiding van het virus.

 

Deel 2 volgt volgende maand

 

Bronnen: 

Paul Brusse, Overleven door ondernemen. De agrarische geschiedenis van de Over- Betuwe 1650-1850. Proefschrift 1999, afd, Agrarische Geschiedenis, WUR, Groningen.

J.M.G. van der Poel, De landbouw-enquête van 1800, historia Agriculturae II (1954) 45-233.

J. Bieleman. Boeren in Nederland. Geschiedenis van de Landbouw 1500-2000. Amsterdam: Boom, 2008, 671 bladzijden. Een schitterend boek.

Our World in Data: // ourworldindate.org/how-rinderpest-was-eradicated

C. van Esterik, W. en M. Frankenhuiis. Vorstelijk vee. Vier eeuwen Nederlandse veerassen. 2002. Busum: Thoyh

Philip Droge, De schaduw van Tambora, 2015, 352 blz. Uitgeverij Spectrum

J.L. van Zanden, De economische ontwikkeling van de Nederlandse landbouw in de negentiende eeuw, 1800-1914, 1985. Vol.25, AAG Bijdragen. Wageningen, afd. Agrarische geschiedenis, Landbouwhogeschool Wageningen.