ALV 2021

oktober
donderdag
21
ALV 2021 De Algemene Ledenvergadering wordt dit jaar in het najaar gehouden, omdat de coronacrisis het ons niet toestond dit eerder te doen. 
De ALV is uitsluitend toegankelijk voor leden.

Dit artikel is een samenvatting van een verhaal van A. Hol.

Een goed inzicht in het volksleven geven de gebruiken die op grote momenten van het leven in zwang waren of geweest zijn, zoals de geboorte van een kind.

De laatste eeuwen is het de vroedvrouw geweest die, als zij tenminste tijdig aanwezig was, bij de geboorte hulp verleende. Zij waren aangesteld door ambtsbesturen en na de stichting van burgerlijke gemeenten (begin 19e eeuw) door de gemeenten. Of het aantal aangestelde vroedvrouwen voldoende was? Bakers, vrouwelijke familieleden en buurvrouwen zullen nog al eens hebben moeten helpen.

De laatste eeuw werd er over de vroedvrouw nog al eens gesproken als over “de juffrouw”. En iedereen begreep wat er gaande was, wanneer er werd verteld dat men “de juffrouw” ging halen, vaak met een rijtuigje. Haar hulp werd gevraagd in een vrij uitgestrekt gebied en op ieder uur van de dag of nacht. Toen de fiets in gebruik kwam, werd dit halen minder noodzakelijk. In verschillende gemeenten hebben tegenwoordig de doctoren de taak van de vroedvrouw geheel op zich genomen.

Nog tot aan het begin van de 20e eeuw werd de pasgeborene dadelijk in het pak gestoken, d.w.z. de baker wikkelde deze stijf in, dikke luiers werden om het onderste deel van de romp en de beentjes gespeld. Moeders en bakers vonden het heerlijk, zo’n ingebakerde kleine aan te pakken en daardoor kostte het moeite haar deze manier van aankleden te doen opgeven. Een halve eeuw voeger kreeg de baby ook nog drie mutsen op uit angst voor kou vatten. De gevolgen bleven niet uit, de hoofdjes zaten weldra onder het eczeem. Kwam de baby na zes weken uit het pak dan kreeg het, ongeacht of het een meisje of jongen was, een jurkje aan. Tot een jaar of vier. Aan de vorm van het mutsje was te zien, of men met een meisje of jongen te doen had. 

Was de kleine aangekleed, dan werd die naast de moeder in het bed gelegd. Pas nu mocht aan het klaarmaken van de wieg begonnen worden. Deed men het eerder dan vreesde men, dat die leeg zou blijven. Was er een eerste kind geboren, dan moest de wieg nog aangeschaft worden. Tot ongeveer 1900 was de schommelwieg met kap, vervaardigd van mandewerk, in gebruik. De moeder liet haar kind niet huilen, doch schommelde de wieg. Dacht zij dat het schreien het gevolg was van honger, dan gaf zij de zuigeling de borst. Dat de moeder het kind zoogde was regel. Alleen als dit absoluut niet mogelijk was kwam de fles eraan te pas. Om het kind tot bedaren te brengen, stopte vele moeders een dot, die door de suikerpot was gehaald, soms in brandenwijn was gedrenkt, in de mond. Lang werd het zogen vol gehouden. De voorliefde voor een lange zoogtijd was het gevolg van de mening dat, zolang een moeder haar kind zoogde, zij niet opnieuw zwanger werd. 

Direct werden de buurtbewoners van de geboorte op de hoogte gesteld: de geboorte werd aangezegd. De kinderen kregen het verhaal van de ooievaar. Bij het kasteel Doornenburg stond de uiversboom, een gespleten eik. Achter deze boom haalde de ooievaar de kindjes vandaan, vertelde men in de Over-Betuwe. Prettig voor de kinderen was het, dat de jonggeborene wat voor hen in de luiers had meegebracht: suikermuisjes, getrakteerd op beschuiten. Aan de muisjes was te zien of de geborene een jongen of een meisje was. Was het een jongen, dan hoorde de oppervlakte ruw te zijn, was het een meisje dan glad. 

Over de naamgeving waren ook regels. De man komt het toe de naam van zijn vader of moeder te geven aan het eerste kind. Zijn de namen van de grootouders gegeven, dan volgen die van de ouders of van ooms of tantes. Man houdt er niet van een kind naar een slecht persoon te noemen. Is dit een overblijfsel van het volksgeloof, dat met de naam ook geestelijke eigenschappen van de persoon zullen overgaan? Van iemand die vernoemd is wordt verwacht, dat die voor zijn of haar naamgenoot het eerste pakje of jurkje koopt. 

Familieleden en buurtbewoners zonden de eerste dagen na de geboorte ‘kandeel ’voor de kraamvrouw. Dit is een pap, bereid uit melk en beschuit met kaneel en suiker. De hoeveelheid, die ontvangen werd, was dikwijls zo groot, dat het hele gezin er van mee at. 

Rooms-Katholieke ouders laten hun kind zo gauw mogelijk dopen. De protestantse ouders wachten hiermee een paar maanden of langer. Het weer was op de keuze van de doopdag van invloed. In de wintertijd stelde men die uit tot het voorjaar. Moeders waren er in de regel niet bij aanwezig. Verschillende ouders, die in feite buiten het kerkelijk leven staan, laten toch hun kinderen dopen. Ik 1666 besloot de classicale vergadering in Tiel, dat deze doopdiensten 's middags moesten plaatsvinden. Zette men ze 's morgens dan zouden zij gevolgd worden door grote maaltijden, werd gevreesd. 

Is de bevalling normaal verlopen, dan heeft bij de Rooms-Katholieken, 14 dagen na de geboorte de eerste kerkgang van de moeder plaats. Onder de protestanten valt de eerste kerkgang vaak samen met de doop. Vroeger gaf het op verschillende plaatsen geen pas dat de moeder daarvoor op de openbare weg kwam, naar feestjes ging. Ook schijnt er vroeger wel bezwaar tegen gemaakt te zijn, dat zij voor de kerkgang op de deel kwam. Had haar onreinheid, want in deze richting zal de verklaring wel gezocht moeten worden, soms een nadelige uitwerking op het vee?

In de plaats van het aanzeggen van de geboorte was het na de oorlog gebruik om kaartjes te sturen. In Elst en omgeving meestal gedrukt bij drukkerij Herberts. Het waren kaartjes van zo’n 7 bij 9 cm. Op veel kaartjes zag je plaatjes van wiegjes met engeltjes, vogeltjes, kinderen, soms in combinatie met een doopfond en aan de binnenkant de naam van de baby, en de twee of drie namen die de baby kreeg bij het doopsel, de ouders en veelal ook de broertjes en zusjes. Bij de katholieken werden als regel ook de namen van de peter en meter genoemd.

De peter en meter, ook wel peetouders genoemd, waren vroeger steevast de getuigen bij de doop van een pasgeboren baby in de kerk. Hun taak bestond er oorspronkelijk uit om het kind bij te staan tijdens de christelijke opvoeding, in het bijzonder wanneer het kind een of beide ouders zou verliezen door een tragisch voor- of ongeval. Het peter- en meterschap heeft geen wettelijke betekenis. Peetouders zijn doorgaans een stel, maar dat hoeft niet. Tegenwoordig worden niet zelden ook vrienden en vriendinnen gevraagd als peter en meter. Van de peter of meter wordt in ieder geval verwacht om het feest bij de eerste communie en vormsel van hun petekind bij te wonen. Vaak behoorden zij ook tot de genodigden bij trouwen en viering van latere huwelijksjubilea.