Afdrukken

In de wekelijkse rubriek “De overburen” in De Gelderlander stond enkele weken geleden een verhaal van Jan Rouwhorst over zijn, en waarschijnlijk voor veel Elstenaren, geliefde overbuur de Elster toren. Oud-Elsterse Ditte Giltay Veth-Herberts las dit artikel en reageerde met een persoonlijke brief waarin zij schreef dat de toren ook voor haar het icoon van Elst is. Daarbij voegde zij de tekst van een lezing met als titel “sprekende stenen” die zij heeft geschreven. Hierbij de tekst van deze lezing.

“Elst, in de Betuwe tussen Arnhem en Nijmegen, is mijn geboortedorp. Boven dit dorp waar eeuwenlang mensen wonen rijst de toren hoog en statig. De koperen haan, hoog in de lucht, heb ik tijdens de laatste restauratie in 1995 even over de kop kunnen strijken. Ik groeide op als dochter van Henk Herberts en Mien van Steenis. Mijn vader bestierde met zijn broer Jan een boekhandel, drukkerij en uitgeverij. De zaak is nu meer dan 100 jaar in de familie. Ik had daar een heerlijke jeugd tussen mijn neefjes, nichtjes en onze dorpsgenoten.

De oorlogsjaren waren voor onze ouders zorgelijk. Wij beleefden als dorpskinderen een onbezorgde tijd totdat op 17 september 1944 de koster van de hervormde kerk, Hendrik van der Horst, van de toren werd geschoten. Hij stond te kijken naar de landing van onze bevrijders. Jantje van der Horst zat bij ons in de klas. Het dorp stond in brand en wij werden geëvacueerd. De toren werd zwaar getroffen maar toen wij terug kwamen in het voorjaar van 1945 was het toch een hoopvol teken dat de toren nog overeind stond. Tijdens de restauratie van de kerk en de toren werd ontdekt dat deze plaats eeuwenlang het middelpunt was van de dorpsgemeenschap.

In maart 1965 kwamen wij in deze prachtige kerk samen om afscheid te nemen van mijn vader. De vrouw van mijn neef Dick, Corry, zong die dag “Wir setzen uns mit Tränen nieder”. Wij vertrouwden mijn vader toe aan de aarde in het familiegraf aan de Valburgseweg.

Op 21 juli 1998 kwamen we weer samen in de grote kerk. Wij waren allemaal in tranen omdat we afscheid moesten nemen van Bea Herberts, 36 jaar oud, gestorven aan de gevolgen van een hersenbloeding, dochter van Corry en Dick. De toren stond daar toen we naar binnen gingen in de stralende zomerzon, onveranderd statig en sterk. Het haantje blonk in de zon. Binnen was er verdriet. Er was plaats voor de klacht van de ouders, de vriend, de broer en de zusjes. Er was dankbaarheid voor een mooie vrouw die 36 jaar een van ons was. De collega’s van ‘s Koonings Jaght waar Bea werkte namen afscheid van haar. Er waren bloemen, haar vriend Eugène sprak en wij zongen over leven en dood en over God die haar dood niet heeft gewild. Getekende ouders met hun kinderen droegen Bea de kerk uit. Wij volgden hen naar het kerkhof. Wij lieten het dorp achter ons, afgewend van de toren. Bea werd zoals wij dat zeggen aan de aarde toevertrouwd, zoals wij dat deden met de dierbaren die haar voorgingen, in het familiegraf op die mooie zomerdag in de Betuwe. Wij baden het Onze Vader waarna we de weg teruggingen naar het dorp met de toren. De zaak was die dag gesloten.
Troostend staat die toren daar, stevig, aards geworteld met de kerk midden in het dorp. Hoog in de lucht wijst de toren naar de hemel. In mij klinkt het lied dat ik de laatste dagen steeds hoor wat wij tot mijn ontroering zongen als slotlied van de dienst.

Als ik door de Betuwe rijd zoek ik altijd de toren. Hoog boven het landschap staat dit door mensenhanden gemaakte bouwwerk, symbool van kracht en vergankelijkheid”.

Diepenveen, 30 juli 1998
Ditte Giltay Veth-Herberts