Verslag van het gesprek met Dik Kok d.d. 18 september 2020.

 

Dik Kok, geboren 7 mei 1930, was 14 jaar oud ten tijde van de luchtlandingen bij Arnhem in september 1944. Hij woonde met zijn gescheiden moeder Rieka Kraaijkamp, zijn twee jaar oudere broer Lodewijk en twee zusjes Corrie en Dini in Angeren (Boerenhoek) in bij zijn grootouders. Zijn grootvader J.C.L. van Straaten had daar een fruitkwekerij, 'de Sterrenberg'. De Duitse inval, drie dagen na zijn tiende verjaardag, betekende voor Angeren en omgeving niet veel meer dan een reeks Duitse soldaten op de fiets die vanaf Pannerden over de dijk verder de Betuwe introk. Er waren enige schermutselingen bij de kazemat op de weg van Angeren naar Bemmel en daarna hernam het leven zijn normale loop.

Dik Kok

Pas in februari 1944 worden ze echt met het oorlogsgevaar geconfronteerd. Dik zat, na de eerste lagere schooljaren in Arnhem Zuid te hebben doorgebracht, in de zesde klas op de Klokkenberg in Nijmegen. Doordat de busverbindingen met Arnhem slechter werden en de bus naar Nijmegen niet, had hij van school gewisseld. Maar ook daar waren er maar halve dagen school vanwege de toenemende brandstoftekorten. Dus kwam hij tegen tweeën 's middags aan op Kelfkensbosch om nog een paar honderd meter te lopen naar de school. En toen gebeurde het: hij was nog maar net op het schoolplein gearriveerd of het geallieerde 'vergissings'-bombardement op het centrum van Nijmegen begon. Dik herinnert zich: "Ik keek in de lucht en zag vliegtuigen, waaruit 'zwarte dingen' vielen". Gelukkig werd hun school niet geraakt, wel waren alle ruiten kapot en zaten zij onder het glas.1 Dik is vanuit Nijmegen in drie uur naar Angeren teruggelopen.

Maar het kon allemaal nog erger. Het wordt 17 september 1944. De luchtlandingen. Iemand, één van de eersten die het had gezien, kwam vanuit het veld naar hen toegelopen er riep "We zijn bijna bevrijd!" Maar het liep anders en weldra was er veel - militair - verkeer over de weg, met name via de Rijndijk, omdat bij de andere wegen de wegwijzers waren verwijderd. Veel Duitsers trokken zich aanvankelijk terug richting Pannerden, maar kwamen ook weer snel terug via die route. Ze gebruikten de boerderijen als opslagplaats voor oorlogsmaterieel, kleine tanks en kanonnen en verbleven er zelf in wisselende samenstellingen. Veelal jonge soldaten, waarvan een deel vaak niet terugkeerde. Op de Sterrenberg zaten op een gegeven moment 16 Duitse soldaten, die zich alvorens op pad te gaan met sterke jenever moed in dronken. Vijf keerden er terug. Zijn moeder vroeg waar de anderen waren gebleven, maar kreeg geen duidelijk antwoord. Ze draaiden ze er omheen, maar het was wel duidelijk dat ze de gevechten niet hadden overleefd. Een soldaat uit de Elzas met meer Franse dan Duitse sympathieën,  raadde mijn moeder fluisterend aan niet teveel in het bijzijn van de andere soldaten over de oorlog te praten, want er zaten "kwaaie types" tussen, zoals die SS'ers met die doodskoppen op hun petten. De soldaten gingen met het materieel 's nachts op pad, want overdag waren ze makkelijker te lokaliseren door de vele vliegtuigen in de lucht. En de geallieerden beheersten het luchtruim. Het gebeurde nogal eens, dat er 's nachts bommen op de boerderijen werden gegooid, maar dan waren de Duitsers met hun materieel weg en waren er alleen (burger-)slachtoffers te betreuren, zoals een groep Arnhemse evacués uit Elden, die bij boer Leijser waren ondergebracht: door een Engels bombardement bleef van de boerderij niets over dan de boogconstructie boven een staldeur, waar de enige overlevende van een groep van 37 mensen, een zoon van Leijser, onder had gestaan.

Ook bij Van Straaten werd een veeschuur getroffen door een bom. De hele familie zat in de kelder, een ruimte van ongeveer 6 bij 4 meter. Om hun huis was een gebruikelijk grindpad. Hoewel de kelderramen af en toe open moesten om de lucht te verversen, durfden ze 's nacht niet naar buiten te gaan om de situatie te bekijken. Dik vertelt dat ze af en toe wel hoorden dat er voorzichtig werd lopen op het knersende grint. Hij vermoedt dat dat Engelsen waren, die zich op vijandelijk grondgebied begaven. De Linge lag niet ver weg en dat was het front.

Het waren hectische dagen. Bij Bemmel was continu trommelvuur. De Duitsers trokken zich niets van de afscheidingen aan en rausden met hun materieel door hekken en heiningen. Dik moest dan weer op pad om een weggelopen koe te zoeken, die gemolken moest worden. Zij lieten dat liever aan een kind over, omdat de Engelsen volwassenen sneller verdacht vonden. Op een gegeven moment droegen de Duitsers de buurtbewoners op om een gat te graven, waarin twee gesneuvelde piloten van een neergestort Amerikaans vliegtuig moesten worden begraven. Enige tijd later zou Dik zich de typische Amerikaanse pilotenjas weer herinneren….

Gijs Jansen van Beek2 was een boerenjongen uit de buurt, die in het verzet zat en een aantal overlevende piloten van neergestorte geallieerde vliegtuigen hielp vluchten of onderduiken. Zelfs zijn naaste omgeving wist niets van die activiteiten. Dit werk deed hij uit volle overtuiging. Eerder was hij door het Arnhemse verzet in de winter van '43-'44 gevraagd mee te werken aan het opblazen van een spoorwegtunnel. Maar van dergelijke verzetsactiviteiten moest hij niets hebben. Hij was wars van dat soort sabotagedaden, die door de Duitsers werden afgestraft met het executeren van onschuldige burgers, als de daders zich niet zouden melden. En dat laatste gebeurde dus ook niet.3 Gijs is in 1948 naar de VS geëmigreerd, samen met zijn broer Evert.

Op 19 september 1944 was de Amerikaanse P-51 Mustang-piloot Howard Moebius4 in een luchtgevecht verwikkeld, waarbij hij twee Fokker-Wulfe-toestellen (FW190) weet te raken, maar zelf moet springen omdat een vleugel van zijn toestel wordt geraakt en in brand vliegt. Dit gebeurde bij Kamervoort. Hij wordt opgemerkt door de Angerense verpleegster Truus Kempkes5, die Gijs erover inseint. Via omwegen weet deze hem via de boerderij van Emmerzaal tijdelijk onder te brengen bij Bernard Stevens, een Angerense veldwachter, die ook in het verzet zit.

Als eind september de Duitsers verordonneren dat de Angerense bevolking moet evacueren, zit Moebius in een schuur verborgen op 1,5 km. van de Linge, dat het front vormde tussen de strijdende partijen. Hij wilde proberen het water over te komen naar de geallieerden. Gijs had ervoor gezorgd dat hij een vervalst persoonsbewijs kreeg, met een bijbehorend document waarin stond dat hij doofstom was, afgegeven door de directeur van het fictieve doofstommen-instituut St. Joseph in Maastricht (dat al in geallieerde handen was, dus niet goed te controleren). Een aantal keren lukt het de doofstommen-act met succes op te voeren bij een confrontatie met de Duitsers en de laatste keer, als hij weer in een groep Duitsers terecht komt, brengt één van hen, een SS-er hem naar de familie Van Straaten, die nog als één van de weinigen in Angeren waren achtergebleven. Zij nemen hem onder hun hoede, zonder te weten dat ze met een Amerikaanse piloot van doen hebben.

 

Hoewel…. Dik vertelt: "Hij had een zak met spullen bij zich. Ik moet bekennen dat ik nieuwsgierig was naar de inhoud en er even in heb gekeken. Ik zag net zo’n jas, als ik eerder had gezien bij het begraven van die Amerikaanse piloten. Dus ik wist genoeg, maar ik heb niemand iets gezegd." In het huis van de familie Van Straaten bivakkeren voortdurend Duitsers. Zij kijken toch enigszins argwanend, naar de vreemd acterende man. Als er piano wordt gespeeld, legt hij zijn hoofd tegen de piano, zogenaamd om het geluid te voelen en als er granaten overvliegen, waarbij iedereen verschrikt wegduikt, moet hij natuurlijk doen of hij die niet kan horen. Moebius wil niet met de anderen slapen in de kelder, hij slaapt alleen boven op de 2e verdieping. Hij is bang dat hij in zijn slaap of in zijn nachtmerries van de gebeurtenissen van de afgelopen tijd, dingen zal verraden over zijn identiteit. Na verblijf van een week moeten ook zij vertrekken. Op de pont van Pannerden ontmoeten zij een man, die kennelijk ook meer wist, want hij zei tegen de familie: "Jullie moeten zuinig zijn op die man." Uiteindelijk komen ze in Hummelo, met een intussen ziek geworden Moebius en ontmoeten daar Jan Emmerzaal, degene die de piloot met Gijs Jansen van Beek in eerste instantie had opgevangen en dus op de hoogte was. Hij zorgt ervoor dat de piloot bij een plaatselijke dokter wordt behandeld. Deze zit ook in het verzet en neemt de patiënt een tijdlang onder zijn hoede. In Hummelo neemt Moebius afscheid van de familie Kok en Van Straaten. Moebius zal later, in maart 1945 samen met een aantal andere ondergedoken piloten ontkomen naar het bevrijde zuiden (Nijmegen). De familie wordt na de oorlog overstelpt met pakketten uit Amerika, als dank voor de hulp die Moebius heeft gekregen.

 

Noten:

  1. Op hetzelfde moment maakte Jan Wessel Janssen uit Elst, die de halve schooldag net achter de rug had en op het station stond te wachten op de trein om naar huis te gaan, hetzelfde mee. Zie “Schuilen en Vluchten, p.35.
  2. Gijs Jansen van Beek heeft zijn levensverhaal te boek gesteld in ”De Eer behouden”, het levensverhaal van Gijs Jansen van Beek, Holland-Amerika 1919-2002. Gijs overleed in 2018.
  3. Net als in Elst op 14 september 1944, waar drie onschuldige burgers bij wijze van represaille worden geëxecuteerd nadat de spoorlijn in de Laar door een Arnhemse verzetsgroep is opgeblazen. Zie “Schuilen en Vluchten, p. 62 en 63.
  4. Ook Howard Moebius heeft zijn oorlogservaringen opgetekend, in de “Valley of the Shadow” (1993). De bovenstaande foto’s van Truus Kempkes en Gijs van Beek zijn daaruit afkomstig. Hij is overleden op 10 mei 2006. Een paar dagen daarvoor had hij nog telefonisch contact met Dik Kok, waarin hij zei “Dickie, I’m going to die”, woorden, die begrijpelijkerwijs Dik hevig emotioneerden.  Hij zei ook steeds meer gewetensnood te hebben van alle slachtoffers, die door zijn toedoen vanuit de lucht om het leven zijn gekomen. Dik had een bijzondere band met Howard, die in de tijd dat ze samen waren natuurlijk geen woord sprak, maar wel Dik snel naar zich toetrok toen er een granaatinslag in de buurt was. Hij had die kennelijk wel gehoord…
  5. Truus Kempkes was een medewerkster van het distributiekringkantoor in Elst. Haar oom, Jan Kempkes (van het bedrijf Kempkes en Waterreus), bracht haar in contact met kapelaan Sloot, die zij voorzag van vervalste bonnen t.b.v. onderduikers. Sloot was betrokken bij illegale activiteiten vanuit het Elster zusterhuis in de Dorpsstraat.