Geplaatst 24 oktober 2020.

 

De joodse familie Drielsma woonde al voor 1900 in Elst. Deurwaarder Drielsma overleed op 50-jarige leeftijd in 1923. Het gezin dat hij achterliet woonde in de Dorpsstraat 36 en bestond naast zijn vrouw Esther Elte uit de zoons Hans, Max en Davy (David) en dochter Clara.1 Bij het uitbreken van de oorlog woonden alleen de laatste twee nog thuis. Davy was rentmeester-administrateur en hield veel openbare verkopingen van agrarische producten als fruit, hout en hooigras. Het gezin onderging al snel het verslechterend klimaat voor de joodse ingezetenen en begin 1942 werd Davy opgepakt en belandde uiteindelijk in het concentratiekamp Mauthausen, waar hij een half jaar later overleed. Het is nooit helemaal duidelijk geworden wie hem heeft aangegeven, maar het was wel duidelijk dat hij naast vele vrienden ook – in Duitsgezinde kringen – de nodige vijanden had.2 

Familie Drielsma

De familie Drielsma in Elst, 1936. Van links naar rechts: Hans met dochtertje Von en zijn vrouw Nettie. Naast hem Clara, Davy en moeder Esther. Max ontbreekt op deze foto.3

Hans en Max Drielsma overleefden de oorlog, evenals Clara. Max kwam eerst met zijn gezin, via bemiddeling van een oom van zijn echtegenote, terecht in de Schaffelaar in Amersfoort. Hierin waren joodse burgers gehuisvest, die een zekere maatschappelijke 'waard'’ hadden in de ogen van staatssecretaris Frederiks en die deze bijzondere positie bij de Duitse autoriteiten wist af te dwingen.4 Toch belandden ook zij, via Westerbork in Theresienstadt. Vandaaruit vertrokken ook treinen naar de vernietingingskampen. Maar vlak voor het einde van de oorlog sloot Himmler nog een ‘deal’ met de geallieerden over medicijnen e.d., waardoor er een paar treinen met gevangenen naar Zwitserland zouden gaan. Men kon zich hiervoor vrijwillig melden, maar velen vertrouwden het niet. Max nam de gok en kwam inderdaad in Zwitserland. Hij maakte later een verslag van wat hij meemaakte.5 In dit verslag, "Transportnacht", dat hij direct na zijn aankomst in Zwitserland opstelde, vertelt hij over de treintransporten naar de concentratiekampen in Polen, waarvoor hij als 'Schwerarbeiter' werd ingezet.

Max Drielsma in 1968

Max Drielsma in 1968.

 

Transportnacht pagina 1

Transportnacht pagina 2

 

Clara keerde na de oorlog niet meer terug naar Elst. Zij woonde tot haar dood in 2005 in Oss. Zij beleefde met haar moeder nog een angstige periode, nadat ze, een jaar nadat Davy werd opgepakt, naar Nijmegen vluchtten. Haar moeder overleed onder erbarmelijke omstandigheden in 1944. In 1962 heeft zij haar verhaal over de oorlogsjaren op schrift gesteld:6

Clara werkte als onderwijzeres aan 'De Leerschool' in Nijmegen. Ze woonde met haar broer Davy en hun moeder in het dorpscentrum van Elst. Hoewel zij dachten dat wat in Duitsland met de Joden gebeurde, in Holland niet zou kunnen, hadden ze toch, uit voorzorg, wat geld naar Engeland gebracht, omdat zij wisten dat de Duitse Joden "elke cent en elk stukje van waarde was afgenomen". Maar allengs werden de maatregelen strenger: hadden zij eerst hun gouden tientjes trouw ingeleverd, om zo "elke vorm van uitdaging te voorkomen", zij leverden daarna het verplicht aan te geven koper niet in, maar begroeven het.

Moeder Drielsma, die ziekelijk was, werd wekelijks bezocht door haar sympathieke en zachtaardige huisarts, die echter overtuigd NSB'er was, hetgeen zij maar moeilijk te aanvaarden vond. Deze arts heeft hen wel meermalen gewaarschuwd, als er in NSB-vergaderingen voor hen minder prettige plannen werden uitgebroed of dat er controles te verwachten waren in verband met het luisteren naar Engelse zenders en dergelijke. Clara noemt nog een voorbeeld van dit tegenstrijdige gedrag. "Zijn zoon, die leider van de Elster Jeugdstorm was, heeft eens toen ik passeerde en één van de jongens iets van "Jodin" riep, deze knaap op een zeer duidelijke wijze kenbaar gemaakt, dat hij zoiets niet wenste te horen".

Een maatregel die haar zelf trof was het ontslag als onderwijzeres. Na nog even huisonderwijs te hebben gegeven, werd ook dat verboden. De kinderen moesten naar een speciale Joodse school in Arnhem. Zij is toen gaan praten op het ministerie in Den Haag en kreeg het voor elkaar een schooltje te stichten in de Smetiusstraat in Nijmegen, waar zij samenwerkte met een andere onderwijzer, de heer Goudsmid.

De werkomstandigheden werden echter steeds moeilijker. Zij verhaalt: "Daar er geen speelplaats was, moest ik met de kinderen in het vrij-kwartier naar buiten, hetgeen dikwijls moeilijkheden opleverde. Vriendelijke mensen, die deze kindertjes aanhaalden en graag wat lekkers toestopten, beseften niet, dat dit door de dagelijks passerende Grüne Polizei als een uitdaging kon worden opgevat, die gewroken kon worden op de kleine sterrekinderen, die onder mijn hoede stonden. In de loop van dat jaar gebeurde het steeds vaker dat er ’s morgens kinderen ontbraken. In het begin informeerde ik nog wel naar de reden van het verzuim; later wisten we zonder te vragen wel dat de leeggekomen plaats nimmer meer bezet zou worden." In december 1942 waren er bijna geen leerlingen meer over.

Begin van dat jaar werd haar broer opgepakt en via de Arnhemse gevangenis en concentratiekamp Amersfoort naar Duitsland afgevoerd. Op 13 juli ontvingen zij het bericht uit Mauthausen dat hij daar "op de vlucht was doodgeschoten". Een uitermate cynisch aandoend kaartje, waarop ook andere mogelijke doodsoorzaken stonden gedrukt zoals "aan longontsteking gestorven". Daardoor was hen wel duidelijk welke waarde zij hieraan konden hechten. Clara schrijft: "Men hoefde daar slechts door te halen, wat niet verlangd werd."

De reden waarom Davy gearresteerd werd, was dat hij tijdens een houtverkoping geweigerd had iemand, een NSB'er, op krediet te verkopen. Deze zou wraak hebben willen nemen. Op dinsdag 3 maart 1942, 's morgens om negen uur, tijdens de Elster markt, werd hij weggehaald, "door velen met ontsteltenis gezien. De hele dag stond bij ons de bel niet stil. Als eerste verschenen onze burgemeester, de heer De Leeuw, en zowel de dominee als de pastoor van Elst gaven van hun bezorgdheid en genegenheid blijk. De NSB'ers ergerden zich buitensporig aan wat zij 'de receptie bij de Joden' noemden."

Gemeentesecretaris Kameraad had nog gebeld dat er 'bezoek' onderweg was. De Duitsers waren namelijk eerst op het Gemeentehuis naar het juiste adres wezen informeren. Maar het telefoontje kwam helaas te laat, ze waren al binnen. Davy verliet zijn familie met de woorden "Wees maar niet ongerust, ik heb niets gedaan, dus…ik ben zo weer terug."

 Davy Drielsma

David 'Davy' Drielsma.

Tijdens zijn verblijf in Amersfoort kreeg de familie een keer een pakje met zijn geheel vernielde bril. "Waarschijnlijk hadden de beulen hem op zijn gezicht kapotgeslagen maar toch vroegen zij om hem per omgaande gerepareerd terug te zenden. Alsof het er iets toe deed." In juli volgde het vertrek naar Mauthausen en kort daarop zijn doodsbericht. Dat kwam op dezelfde dag dat burgemeester De Leeuw werd opgehaald. Hem werd voor de voeten geworpen dat hij geen "J" op hun persoonsbewijs had gezet, hetgeen ontdekt werd bij de arrestatie van Davy. De Leeuw weigerde echter onderscheid te maken tussen Joden en niet-Joden. Voor hem waren er alleen goede en minder-goede gemeenteleden. Verder had hij, toen de straatnamen van de leden van het vorstenhuis moesten verdwijnen, deze vervangen door de namen van Nederlandse vrijheidshelden, een feit dat nog is vermeld door Radio Oranje.7

Over de politie in Elst is Clara vol lof, met name over hun chef, de heer Broens. Toen de verordening afkwam dat Joden hun fiets moesten inleveren, leverde Clara een oude fiets in en haar nieuwe fiets verborg ze op een boerderij buiten het dorp. Dezelfde avond belde Broens op dat de nieuwe fiets snel naar de opslagruimte bij het gemeentehuis moest worden gebracht. Hij had net met twee felle NSB'ers gesproken, onder wie groepsleider Matthijsen. Deze wilden het controleren omdat ze Clara al een paar keer op haar nieuwe fiets hadden zien rijden. Broens vroeg hen echter om de volgende morgen terug te komen, om te kijken of aan de regels was voldaan, omdat er in de opslagruimte geen verduistering was en hij dus geen licht kon maken. Broens haalde de fiets vervolgens zelf op en stond de volgende ochtend de heren op te wachten met een "minachtend gezicht, zeggend dat ik in plaats van één, zelfs twee fietsen had ingeleverd". Broens bracht de fiets vervolgens weer terug naar de schuilplaats. Broens werd later door burgemeester Bruynis opgedragen om een Joods meisje op te halen. Dit bracht hem in ernstig gewetensconflict. Sommigen raadden hem aan het toch maar te doen, want in zijn functie kon hij nog veel goed werk verrichten, maar hij kon het niet over zijn hart verkrijgen en dook onder.8

De familie Drielsma verloor, net als vele andere dorpelingen tijdens de gevechten na de luchtlandingen in september 1944, hun have en goed voor een groot deel door het oorlogsgeweld of door 'bezoek' van hun huis door Duitse en geallieerde militairen. Een deel van hun bezit raakten ze echter op een veel vervelender manier kwijt. Moeder Drielsma gaf haar sieraden in bewaring bij een zuster van het Groene Kruis, die na de oorlog alleen maar een waardeloze kralenketting van Clara bleek te hebben. Davys boeken gaf ze in bewaring bij iemand die na de oorlog zijn hele bibliotheek terugkreeg, maar de boeken van Davy waren er niet bij, althans dat zei hij. Zijn dochter had Clara's gouden horloge in bewaring, die zij bij een granaatinslag was kwijtgeraakt. Ook bleek er daar een Perzisch tapijt te liggen, dat er hetzelfde uitzag als het tapijt dat ze aan hun buren hadden uitgeleend.

Maar er waren ook goede herinneringen, bijvoorbeeld aan hun buren, de familie Waterreus en het gezin van oud-Indiëganger van Dijk, die later door de Duitsers zou worden geëxecuteerd als represaillemaatregel voor de aanslag op de spoorlijn in de Laar.9 Ook de heer Vink krijgt veel lof. Hij deed veel moeite haar broer uit de gevangenis te krijgen door te spreken met Joost de Ruyter, Musserts rechterhand.10 Deze zei voor een Jood niets te kunnen doen, maar dat hij wel kon proberen de beide schoonzoons van de heer Vink, die als officieren in Stanislau gevangen zaten, vrij te krijgen. De heer Vink bedankte voor deze 'eer'.

Broer Max zat in deze periode in een Joods werkkamp in Drenthe, om zich later met zijn gezin in Barneveld te verenigen. Broer Hans woonde op de Javastraat in Nijmegen en besloot eind 1942 met zijn gezin onder te duiken.

Toen werd het ook tijd voor hen om onder te duiken. Haar moeder wilde eerst niet, maar er werd op haar ingepraat, met het argument dat ze ook om de toekomst van haar dochter moest denken. De zondag na Kerstmis 1942 adviseerde de gemeentesecretaris Kammeraat hen dringend zo spoedig mogelijk onder te duiken, omdat de avond ervoor een andere Joodse familie was ondergedoken, waardoor de nieuwe Elster burgemeester, de NSB'er Bruynis in woede was ontstoken. Hij moest dat namelijk doorgeven aan de SD in Arnhem en Kammeraat was bang voor represailles.11 Moeder en dochter vertrokken meteen naar Nijmegen. Ze hadden in eerste instantie contact met een wat louche contactpersoon, die banden zou hebben met een organisatie die onderduikers weg hielp. Maar het was een fout persoon, eentje van veel geld vragen en weinig of de verkeerde dingen doen. Na enige omzwervingen in Nijmegen kwamen ze uiteindelijk op het adres waar ze het einde van de oorlog konden afwachten, bij kapper Bongaards aan de Lage Markt 45 en zijn vrouw en 16-jarige zoon, die graag vliegenier wilde worden. Deze zoon had een zeer pro-Duitse houding, met veel bewondering voor het militaire vertoon, hij zou een jaar later dienst nemen in het Duitse leger. Veel narigheid hebben zij er niet van ondervonden, al was zijn houding verre van plezierig. Clara: "Van verraad is nooit sprake geweest, waarschijnlijk doordat hij dan zijn ouders, die zoveel deden om hem verder te laten leren, mede in het ongeluk zouden storten." Die ouders waren heel goed voor ons.

Ook in de laatste periode met haar moeder, die suikerziekte had, ondervonden ze veel steun en hulp van verschillende kanten. Van de Nijmeegse dokter van haar moeder, die haar gratis insuline verstrekte, van een verzetsman uit Twente, die hen aan vervalste persoonsbewijzen hielp, van Jan Kempkes uit Elst, die hen af en toe extra levensmiddelen en brandstof bracht, van kapelaan Sloot uit Elst, die bemiddelde in het verkrijgen van bonkaarten.12

In juni 1944 kwam haar moeder ziek in bed te liggen, ze kreeg ook een attaque, waardoor ze niet meer kon spreken. Op 7 juli overleed ze, boven op het zolderkamertje, terwijl de geallieerde bommenwerpers overvlogen richting Duitsland. Doordat er net op die dag in het Kronenburgerpark aanslagen waren gepleegd op Duitsers en NSB’ers, met als gevolg zware straffen voor de daders, werd de Nijmeegse bevolking bevolen na 7 uur 's avonds binnen te blijven. Er werden huiszoekingen gedaan door de SS. Daarom besloten ze moeder te begraven in de kelder onder het huis, waarvoor in de lemen vloer een gat gehakt en gegraven moest worden en waarbij voortdurend moest worden opgelet dat dat buiten niet te veel gehoord zou worden.

Op 17 september schuilde Clara met de familie Bongaards bij de overburen in een solide kelder, van een oud patriciërshuis op de hoek van de Lage Markt en de Priemstraat, waar ze een bominslag overleven. Een paar dagen later werd Nijmegen bevrijd. In november vertrok zij naar Oss.

Clara Drielsma

Clara Drielsma.

 

Noten:

  1. In "Schuilen en Vluchten" blz. 48, is abusievelijk vermeld dat de oudste zoon, Hans, in de oorlogsjaren ook nog in Elst woonde. Hij woonde toen in Nijmegen. Met name zijn broer Max, die hoewel hij naar Den Haag was verhuisd, zijn hele leven een sterke band heeft onderhouden met Elst, waar hij veel mensen kende.
  2. Een uitgebreider verslag van wat de aanleiding was voor zijn arrestatie verwijzen wij naar "Schuilen en Vluchten", "De kwestie Drielsma", blz. 47 en 48.
  3. De foto's zijn beschikbaar gesteld door Jonice Drielsma-Moens.
  4. Begin 1943 bestond er een lijst van meer dan 500 Joden die vrijgesteld waren van Arbeitseinsatz (en dus van deportatie), de zgn. lijst-Frederiks , genoemd naar de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken, dr.mr. Karel Johannes Frederiks. Op deze lijst stonden Joden en hun families die zich in bijzondere mate verdienstelijk hadden gemaakt voor de Nederlandse gemeenschap, zoals kunstenaars, musici, toneelspelers, rechters, advocaten, professoren, medici en academici. Niet iedere instantie die betrokken was bij het vervolgen en deporteren van Joden was op de hoogte van het bestaan en de strekking van deze Frederikslijst. Omdat sommige Joden die op de Frederikslijst stonden, toch werden opgepakt en doorgestuurd werden naar Oost-Europa besloot men deze zgn. Frederiksjoden te beschermen tegen arrestatie en deportatie, en hun centraal onder te brengen in een groot gebouw in het oosten van het land, het kasteel "de Schaffelaar" in Barneveld. Eind december 1942 woonden daar reeds 109 Joden van de Frederikslijst. Op 29 september 1943 werden zij overgebracht naar Westerbork; hun aantal was intussen opgelopen tot een totaal van ongeveer 650 personen. Vanaf die tijd sprak men van Barneveldjoden of van Joden van de Barneveldlijst of van de Barneveldgroep. Op 4 september 1944 werden zij van uit Westerbork, met een van de laatste transporten, naar Theresienstadt gebracht, waar ze arriveerden na een 3-daagse zeer oncomfortabele treinreis in veewagens. Ook daar verschenen de Barnevelders niet op de transportlijsten. Tussen maart en april 1945 kwamen de eerste overlevenden van de zgn. dodenmarsen in Theresienstadt aan in de slechtst lichamelijke toestand die mogelijk was. De laatste oorlogsmaanden hadden de Duitsers groot gebrek aan vrachtwagens en medicijnen. De Zwitserse regering was bereid deze zaken uit te wisselen tegen Joodse concentratie kamp-gevangenen. De Duitsers besloten hiervoor enkele honderden leden van de Barneveldgroep beschikbaar te stellen. De betreffende groep werd per trein over de Zwitserse grens gezet (26 maart 1945) en zijn dus enkele maanden eerder bevrijd dan de rest van de 17.000 overlevenden in Theresienstadt (bron: John Heymans, Beth Juliana, Herzlia Israel, 2018).
  5. Het verslag "Transportnacht" is ons ter beschikking gesteld door Jonice Drielsma-Moens.
  6. Het verslag telt 24 bladzijden, derhalve is het hier ingekort. Met dank aan dhr. Paul van der Flier van het Regionaal Archief Nijmegen voor het ter beschikking stellen van Clara’s verhaal. Het verhaal is inmiddels door hen gedigitaliseerd en binnenkort online te vinden op de website van het Regionaal Archief in Nijmegen in de Collectie vooronderzoek Nijmeegse oorlogsgeschiedenis door professor L.J. Rogier (1962).
  7. Zie "Schuilen Vluchten", blz. 18 e.v., blz.26.
  8. Idem, blz. 49.
  9. Idem, blz. 64 e.v.
  10. Idem, blz. 45.
  11. Idem, blz. 21 en 56.
  12. Zie noot 5 bij het verhaal Doofstom naar de vrijheid.