Jan Romein schreef een dik boek met de titel: Op het breukvlak van twee eeuwen (19e en 20e eeuw). In 42 hoofdstukken schreef hij over tal van maatschappelijke ontwikkelingen, zoals politiek, allerlei bewegingen, stand van zaken over diverse vormen van cultuur, etc. Echter geen hoofdstuk over sport.

Sport werd toen niet serieus genomen. Veel Nederlanders waren helemaal niet gecharmeerd van de sport. Het werd gezien als een te rauwe en onfatsoenlijke bezigheid. Dit veranderde eind 19e eeuw langzaam door invloeden vanuit Engeland, vooral door kostscholen en mensen, die enige tijd in Engeland hebben gewoond. Vooral groeide de belangstelling voor voetbal en tennis. Vanuit Duitsland kwam turnen en balspelen in de belangstelling.

De tegenstand tegen sportbeoefening bleef nog lang hardnekkig. Toen het initiatiefcomitee voor de Olympische spelen in 1928 subsidie gingen aanvragen bij de Rijk, werd dit afgewezen door de Tweede kamer. Via wat tegenwoordig wordt genoemd crowdfundingacties werden de spelen financieel mogelijk gemaakt. Koning Wilhelmina weigerde de spelen te openen en was in die dagen op bezoek in Noorwegen. Zij stuurde haar man Prins Hendrik naar de opening .

De tegenstand tegen sportbeoefening door dames is een apart verhaal. De mening van initiatiefnemer voor de Olympische spelen Pierre baron de Coebertin: "Hardlopende vrouwen en voetbalsters vormen een weinig verheffende aanblik. Het lichaam van de sportvouw, hoe gehard het ook mag zijn, is niet berekend op bepaalde schokeffecten." Sporten als balspelen en turnen werden wel geschikt geacht. Vooroordelen verdwenen langzamerhand, maar minder snel dan wenselijk in de ogen van beijveraars van deelname van meisjes en dames aan alle soorten sport. Nog in 1971, het jaar dat de KNVB vrouwen toeliet speelden de dames 2x30 minuten, want….. zij konden 2 x drie kwartier onmogelijk volhouden.