Een werkgroep is bezig met het beschrijven van de ontwikkeling van het verenigingsleven op gebied van sport in Elst in de 20e eeuw. Bij het verzamelen van informatie kwamen we een artikel tegen van Clemens Vollebergh, over sportkleding, gepubliceerd in Verleden Tijd Schrift van nr. 3 in 1996.

Een korte samenvatting.

Eind 19e eeuw werd sport in Nederland populair. Aanvankelijk was de beoefening van sport alleen weggelegd voor de meer gegoeden. De benodigde uitrusting was in veel gevallen te prijzig voor de arbeiders (die vaak in hun ondergoed sportten) en sommige sportclubs voerden een selectief toelatingsbeleid. Daarnaast had niet iedereen voldoende tijd om zich op sport toe te leggen. Sportdeelname was een statussymbool evenals sportkleding.

Vanaf het begin af heeft de mens iets met kleding. Denk aan allerlei kledingdrachten. Logisch dat voor het beoefenen van sporten speciale kleding werd ontworpen. Het moest voor de tak van sport vereiste bewegingen onbelemmerd toestaan. Licht en modieus. Niet zelden ontstond er dan een spanningsveld tussen wat de mode voorschreef en hetgeen zedelijk acceptabel was.

Veel kleding die in de sport mode was vond zijn weg naar de dagelijkse kleding. Bekende voorbeelden zijn damespantalon, pullover, badstof sokken (tennis), poloshirt, shorts, trui, sportkousen (voetbal) en maillots.

De opkomst van de sportbeoefening door vrouwen droeg eraan bij dat het rijgkorset uiteindelijk uit de damesgarderobe verdween. Was dit kledingstuk bij uitstek een middel om het lichaam van de vrouw te beschermen tegen uitzakken en verbetering van haar houding, men verwachtte meer heil van sport en gymnastiek om een goede houding en stevig 'spierkorset' te ontwikkelen.

De sport is ook van invloed geweest op de lichaamsverzorging. Het laten bruinen van de huid, vanwege het gezonde image en de sportieve uitstraling, is daarvan een voorbeeld. Tot de Eerste Wereldoorlog gold een blanke huid als een na te streven ideaal. Daarna ging de zongebruinde huid aarzelend deel uitmaken van de moderne schoonheidsideaal.

De bewegingsvrijheid van de sportkleding werd met name in religieuze kring sterk beperkt vanwege dat wat daardoor eventueel werd bloot gegeven. Voor de katholieken gold immers dat kleding primair diende ter “verhulling van het seksuele geheim”. Met instemming van enkele protestante collegae formuleerde het Nederlands Gesprekcentrum in 1955 de specifieke gedachtegang achter de voorschriften ten aanzien van sportkleding. Kleding mocht niet ondergeschikt worden gemaakt aan klimatologische omstandigheden of de bewegingsvrijheid

Ten aanzien van gymnastiektenue van de vrouwen kwam er na WOII een versoepeling. Vrouwen konden voortaan kiezen uit een rok en een rokbroek, reikend tot aan de knie.

De kledingvoorschriften brachten desondanks regelmatig heel wat discussie teweeg. Zo was er de kwestie van het zogenaamde 'ballonbroekje'. Veel vrouwen uit atletiekkringen waren zeer geporteerd voor dit nieuwe kledingstuk, dat meer bewegingsvrijheid gaf en de mogelijkheid bood betere sportieve prestaties te leveren. Onder druk van het 'neutrale' kamp, dat de kledingvoorschriften van de diocesane adviseurs niet hanteerde, werd in 1954 het ballonbroekje toch wel toegestaan.